De procedure voor het vaststellen van een omgevingsplan bestaat uit een aantal wettelijk vastgelegde stappen: voorbereiding, participatie, terinzagelegging, vaststelling door de gemeenteraad en de mogelijkheid tot beroep bij de rechter. De Omgevingswet, die in 2024 in werking trad, vervangt de oude bestemmingsplannen door dit nieuwe instrument en geeft gemeenten meer flexibiliteit bij het inrichten van hun grondgebied. Bij BoschSlabbers helpen we gemeenten door dit proces met een sterke landschapsvisie als basis. In dit artikel beantwoorden we de meest gestelde vragen over de procedure.
Een gemeente doorloopt bij het opstellen van een omgevingsplan vijf hoofdfasen: beleidsvoorbereiding, participatie, opstellen van de regels, terinzagelegging en vaststelling door de gemeenteraad. Daarna volgt een beroepstermijn. De exacte invulling per fase verschilt per gemeente en per type plangebied.
In de praktijk ziet het proces er als volgt uit:
Het is verstandig om al vroeg in het proces een heldere ruimtelijke visie te formuleren. Dat voorkomt vertraging in latere fasen en maakt participatie effectiever.
Het omgevingsplan is de opvolger van het bestemmingsplan onder de Omgevingswet. Het grootste verschil is dat een omgevingsplan breder is: het regelt niet alleen bestemmingen en bouwregels, maar ook milieu, geluid, geur, erfgoed en leefomgevingskwaliteit in één integraal document per gemeente.
Waar een bestemmingsplan gold per deelgebied en gemeenten er meerdere naast elkaar konden hebben, heeft elke gemeente straks nog maar één omgevingsplan voor het hele grondgebied. Dit maakt het instrument overzichtelijker, maar ook complexer om op te stellen. Een beeldkwaliteitsplan kan als onderdeel van of als aanvulling op het omgevingsplan worden vastgesteld om de gewenste ruimtelijke kwaliteit concreet te borgen.
Participatie is onder de Omgevingswet een verplicht onderdeel van het proces voor het vaststellen van een omgevingsplan. De gemeente moet aantonen dat zij belanghebbenden vroegtijdig heeft betrokken, maar de exacte vorm van participatie mag zij zelf bepalen.
Veelgebruikte participatievormen zijn:
Goede participatie leidt niet alleen tot een breder gedragen plan, maar helpt ook om knelpunten vroegtijdig te signaleren. Gemeenten die participatie goed organiseren, lopen minder risico op beroepsprocedures achteraf.
Het vaststellen van een omgevingsplan duurt gemiddeld één tot drie jaar, afhankelijk van de complexiteit van het plangebied, de omvang van de participatie en eventuele onderzoeksverplichtingen zoals een milieueffectrapportage. Eenvoudige planwijzigingen kunnen sneller worden afgerond.
De wettelijke terinzagelegging duurt zes weken. De beroepstermijn na vaststelling bedraagt eveneens zes weken. Wanneer beroep wordt ingesteld, kan de totale doorlooptijd aanzienlijk oplopen, soms tot meerdere jaren. Een goede voorbereiding en tijdige participatie verkleinen de kans op vertraging.
Een milieueffectrapportage (MER) is verplicht bij een omgevingsplan wanneer het plan kaderstellend is voor activiteiten die aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, zoals grootschalige woningbouw, bedrijventerreinen of infrastructuurprojecten. Dit volgt uit de Europese mer-richtlijn en het Besluit milieueffectrapportage.
In de praktijk geldt een MER-plicht wanneer het plan activiteiten mogelijk maakt die zijn opgenomen in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage. Voor kleinere plannen kan een vormvrije mer-beoordeling volstaan, waarbij de gemeente beoordeelt of significante milieueffecten te verwachten zijn. Wanneer een beeldkwaliteitsplan onderdeel is van een groter ruimtelijk programma, is het verstandig om de MER-plicht vroegtijdig te laten toetsen door een adviseur.
Inwoners en bedrijven die het niet eens zijn met een omgevingsplan hebben twee formele momenten om bezwaar te maken: tijdens de terinzagelegging door het indienen van een zienswijze, en na vaststelling door het instellen van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Een zienswijze is een schriftelijke reactie op het ontwerp-omgevingsplan. De gemeente is verplicht om alle zienswijzen te beantwoorden en te beoordelen of zij aanleiding geven tot aanpassing van het plan. Na vaststelling staat beroep open voor iedereen die eerder een zienswijze heeft ingediend. In spoedeisende gevallen kan ook een voorlopige voorziening worden gevraagd om de inwerkingtreding van het plan tijdelijk te schorsen.
Een omgevingsplan opstellen is een complex proces dat vraagt om een stevige ruimtelijke onderbouwing. Wij ondersteunen gemeenten bij elke fase van dit traject, van de eerste beleidsvoorbereiding tot aan de vaststelling. Onze aanpak combineert diepgaande kennis van landschap, ecologie en erfgoed met een heldere vertaling naar planologische kaders.
Concreet helpen wij met:
Benieuwd wat wij voor jouw gemeente kunnen betekenen? Bekijk onze eerdere projecten voor inspiratie, of neem contact op om te bespreken hoe wij jouw omgevingsplan kunnen versterken.
De procedure voor het vaststellen van een omgevingsplan bestaat uit een aantal wettelijk vastgelegde stappen: voorbereiding, participatie, terinzagelegging, vaststelling door de gemeenteraad en de mogelijkheid tot beroep bij de rechter. De Omgevingswet, die in 2024 in werking trad, vervangt de oude bestemmingsplannen door dit nieuwe instrument en geeft gemeenten meer flexibiliteit bij het inrichten van hun grondgebied. Bij BoschSlabbers helpen we gemeenten door dit proces met een sterke landschapsvisie als basis. In dit artikel beantwoorden we de meest gestelde vragen over de procedure.
Een gemeente doorloopt bij het opstellen van een omgevingsplan vijf hoofdfasen: beleidsvoorbereiding, participatie, opstellen van de regels, terinzagelegging en vaststelling door de gemeenteraad. Daarna volgt een beroepstermijn. De exacte invulling per fase verschilt per gemeente en per type plangebied.
In de praktijk ziet het proces er als volgt uit:
Het is verstandig om al vroeg in het proces een heldere ruimtelijke visie te formuleren. Dat voorkomt vertraging in latere fasen en maakt participatie effectiever.
Het omgevingsplan is de opvolger van het bestemmingsplan onder de Omgevingswet. Het grootste verschil is dat een omgevingsplan breder is: het regelt niet alleen bestemmingen en bouwregels, maar ook milieu, geluid, geur, erfgoed en leefomgevingskwaliteit in één integraal document per gemeente.
Waar een bestemmingsplan gold per deelgebied en gemeenten er meerdere naast elkaar konden hebben, heeft elke gemeente straks nog maar één omgevingsplan voor het hele grondgebied. Dit maakt het instrument overzichtelijker, maar ook complexer om op te stellen. Een beeldkwaliteitsplan kan als onderdeel van of als aanvulling op het omgevingsplan worden vastgesteld om de gewenste ruimtelijke kwaliteit concreet te borgen.
Participatie is onder de Omgevingswet een verplicht onderdeel van het proces voor het vaststellen van een omgevingsplan. De gemeente moet aantonen dat zij belanghebbenden vroegtijdig heeft betrokken, maar de exacte vorm van participatie mag zij zelf bepalen.
Veelgebruikte participatievormen zijn:
Goede participatie leidt niet alleen tot een breder gedragen plan, maar helpt ook om knelpunten vroegtijdig te signaleren. Gemeenten die participatie goed organiseren, lopen minder risico op beroepsprocedures achteraf.
Het vaststellen van een omgevingsplan duurt gemiddeld één tot drie jaar, afhankelijk van de complexiteit van het plangebied, de omvang van de participatie en eventuele onderzoeksverplichtingen zoals een milieueffectrapportage. Eenvoudige planwijzigingen kunnen sneller worden afgerond.
De wettelijke terinzagelegging duurt zes weken. De beroepstermijn na vaststelling bedraagt eveneens zes weken. Wanneer beroep wordt ingesteld, kan de totale doorlooptijd aanzienlijk oplopen, soms tot meerdere jaren. Een goede voorbereiding en tijdige participatie verkleinen de kans op vertraging.
Een milieueffectrapportage (MER) is verplicht bij een omgevingsplan wanneer het plan kaderstellend is voor activiteiten die aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, zoals grootschalige woningbouw, bedrijventerreinen of infrastructuurprojecten. Dit volgt uit de Europese mer-richtlijn en het Besluit milieueffectrapportage.
In de praktijk geldt een MER-plicht wanneer het plan activiteiten mogelijk maakt die zijn opgenomen in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage. Voor kleinere plannen kan een vormvrije mer-beoordeling volstaan, waarbij de gemeente beoordeelt of significante milieueffecten te verwachten zijn. Wanneer een beeldkwaliteitsplan onderdeel is van een groter ruimtelijk programma, is het verstandig om de MER-plicht vroegtijdig te laten toetsen door een adviseur.
Inwoners en bedrijven die het niet eens zijn met een omgevingsplan hebben twee formele momenten om bezwaar te maken: tijdens de terinzagelegging door het indienen van een zienswijze, en na vaststelling door het instellen van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Een zienswijze is een schriftelijke reactie op het ontwerp-omgevingsplan. De gemeente is verplicht om alle zienswijzen te beantwoorden en te beoordelen of zij aanleiding geven tot aanpassing van het plan. Na vaststelling staat beroep open voor iedereen die eerder een zienswijze heeft ingediend. In spoedeisende gevallen kan ook een voorlopige voorziening worden gevraagd om de inwerkingtreding van het plan tijdelijk te schorsen.
Een omgevingsplan opstellen is een complex proces dat vraagt om een stevige ruimtelijke onderbouwing. Wij ondersteunen gemeenten bij elke fase van dit traject, van de eerste beleidsvoorbereiding tot aan de vaststelling. Onze aanpak combineert diepgaande kennis van landschap, ecologie en erfgoed met een heldere vertaling naar planologische kaders.
Concreet helpen wij met:
Benieuwd wat wij voor jouw gemeente kunnen betekenen? Bekijk onze eerdere projecten voor inspiratie, of neem contact op om te bespreken hoe wij jouw omgevingsplan kunnen versterken.